![]() |
|||||||
|
|
|||||||
navigatie
thema's
naslag
|
L E E F G E B I E D De eerste Neanderthalers verschijnen zo'n 230.000 jaar geleden. Zij ontstonden uit de Homo heidelbergensis populatie die in Europa leefde. Er is natuurlijk altijd discussie over wanneer we nog spreken van Homo heidelbergensis of wanneer we spreken van vroege Neanderthalers. Een van de vroegste Neanderthalers is waarschijnlijk die van Pontnewydd in Wales. De fossielen die hier zijn gevonden worden geschat op tussen 230.000 en 200.000 jaar oud. Andere vroege Neanderthaler vindplaatsen zijn Bianche-St-Vaast (175.000) en La Chaise (160.000) in Frankrijk en Ehringsdorf (200.000) in Duitsland. Deze fossielen worden ookwel de proto-neanderthalers genoemd of transitievormen, omdat ze zowel kenmerken bezitten van de latere neanderthalers als van de eerdere heidelbergensis mensen.
Na 150.000 jaar geleden beleven de Neanderthalers een bloeiperiode die ongeveer 100.000 jaar zal duren. Hun leefgebied had in deze tijd zijn grootste omvang en strekte zich uit over Europa, het Midden Oosten en zelfs tot in Azië. Een opvallende vindplaats uit deze periode is Teshik Tash in Oezbekistan. Bijna 4000 kilometer van Europa, de bakermat van de Neanderthalers, werd daar in 1973 de fossielen van een Neanderthaler kind gevonden. Omringd door geitenhoorns die als een krans rondom het lichaam waren geplaatst. Shanidar in Irak laat zien dat Teshik Tash geen uitzondering was, er waren groepen Neanderthalers in Azië. De Neanderthalers uit deze periode beschikken over alle karakteristieke Neanderthal kenmerken. Ze worden dan ook wel de klassieke Neanderthalers genoemd. Na 50.000 jaar geleden loopt het aantal vindplaatsen dat we kennen van Neanderthal fossielen terug. Dit luidt het begin van het eind in voor de Neanderthalers. Een periode die we het laat Paleolithicum noemen breekt aan, waarschijnlijk door de komst van de moderne mens. Deze komt, via Klein Azië en de Balkan en wellicht via de Krim, Europa binnen en neemt nieuwe technologie met zich mee. Ook de technologie van de Neanderthalers wordt geavanceerder maar hun aantallen nemen af.
K L I M A A T Het begin van het Pleistoceen, zo'n 1,8 miljoen jaar geleden luidt een tijd in van grote klimaatschommelingen. Perioden met een gematigd klimaat worden afgewisseld met periode van wereldwijde verkoeling. De tijden van verkoeling noemen we ook wel ijstijden. Tijdens deze ijstijden daalde de temperatuur op aarde aanzienlijk. Tijdens sommige ijstijden wel tot gemiddeld 10 graden Celsius kouder dan ons huidige klimaat. De poolkappen breidden zich uit en grote gletsjers dijden uit over de continenten. De groeiende poolkappen namen veel water op waardoor de zeespiegel daalde. Gedurende het Pleistoceen was het verschil tussen de hoogste en de laagste waterstand wel 100 meter. Door de daling van de zeespiegel vielen ondiepe zeeën droog en ontstonden er nieuwe stukken land. Zo viel de Noordzee tijdens de laatste ijstijd volledig droog. Engeland was om dat moment dus even geen eiland, wat ook verklaard waarom er daar Neanderthaler fossielen zijn gevonden. In de periode waarin de Neanderthalers leefden (200.000 tot 30.000 jaar geleden) was er sprake van zowel perioden verkoeling als warmere perioden. Tijdens de verkoeling breidden de ijskappen zich uit en bedekten het noordelijke deel van Europa. Het gebied ten zuiden van deze ijsmassa kenmerkte zich door een steppelandschap. Verder zuidelijk wisselden grasvlaktes en bossen zich af.
Tijdens de meer gematigde periodes leek het klimaat meer op het huidige Europese klimaat. De steppes bevonden zich noordelijker in Scandinavië en het noorden van Rusland en grote uitgestrekte wouden bedekten Europa. Op de steppes en grasvlaktes van Europa graasden kuddes groot wild, waaronder paarden, oerossen bizons, rendieren en mammoeten. In de herfst trokken de kuddes naar het zuiden om in de lente weer naar het noorden te trekken. De Neanderthalers volgden de bewegingen van de kuddes. Uit onderzoek blijkt dat het dieet van de Neanderthalers voor een groot deel uit vlees bestond, zij leefden dus voornamelijk van de jacht. Kennis van het voorspelbare patroon van de kuddes stelde hen in staat om hinderlagen te vormen. Toch was het jagen op relatief grote prooidieren niet zonder risico. Uit de fossielen van de Neanderthalers blijkt dat zij tijdens hun korte leven veel botbreuken en kneuzingen opliepen. Het patroon van hun verwondingen doet denken aan dat van hedendaagse Rodeo rijders!
|
||||||